Hier is brood voor niets

3 aug 2008, 14:00

Lezingen: Jesaja 55, 1-3, Matteüs 14, 13-21
Welkom allemaal hierheen gekomen en de vrede van Jezus Christus moge met ons zijn. Welkom voor een moment van rust, een moment van inkeer, dat iedereen nodig heeft, ook nog als we vakantie hebben. Om te leren leven en te zien wat vrede vraagt.
De evangelielezing van vandaag heeft een vakantiethema: een zorgeloze picnic in het gras. Ten minste: voor de mensen die Jezus uit de steden achterna getrokken zijn. Voor de leerlingen ligt het wat anders, die zijn bezorgd, want de catering is niet in orde: er zijn maar vijf broden en twee vissen. En Jezus komt niet toe aan zijn geplande moment van inkeer.[/url]
De afgelopen zondagen hoorden we Jezus vertellen over het Koninkrijk. En als we luisteren naar het verhaal dat we vandaag horen, over deze picnic, het verhaal van de broodvermenigvuldiging, dan mogen we dat misschien nog in gedachten houden. Misschien geeft het thema van het Koninkrijk ons een goede sleutel tot dit verhaal.
Vandaag is er een agapèviering, geen eucharistieviering. Dat betekent dat er vandaag twee leken voorgaan, Annemiek Alferink en ik, en dat we vandaag brood en honing met elkaar delen, een herinnering aan de vriendenmaaltijden van de eerste christenen, en misschien ook een beetje aan die picnic in het gras.
Overweging
Iedereen at en werd verzadigd. Een wonder! Maar wat betekent dat wonder? Want het belangrijkste van een wonder is dat we met elkaar delen wat die gebeurtenis, die we „wonder" noemen, voor ons betekend heeft, wat we eraan beleefd hebben. Zo is het ook met dit verhaal: het wil ons vertellen wat Jezus voor ons kan betekenen, als we hem willen volgen. Zoals de mensen toen.
Omdat we de vorige zondagen hoorden hoe Jezus predikte over het Koninkrijk van God, of het Koninkrijk van de Hemel, zoals Matteüs het noemt, is het verleidelijk om een verband te zien tussen dit verhaal en die verhalen. En dat verband is er ook. Toch mogen we niet vergeten dat we twee verhalen overgeslagen hebben. Het eerste is dat van Jezus die in zijn vaderstad aankomt en daar miskend wordt, zodat hij daar niet veel wonderen kon doen. Het tweede verhaal betreft de opmerking van Herodes dat Jezus misschien de opgestane Johannes de Doper is en de terugblik op de dood van Johannes de Doper, vermoord op bevel van diezelfde Herodes. Het verhaal van Jezus is geen ongestoord succesverhaal. Zijn stadgenoten moeten hem niet, en de machthebbers krijgen hem in het oog.
Toen Jezus hiervan hoorde, week hij per boot uit naar een afgelegen plaats waar hij alleen kon zijn. Anders dan Johannes, die Herodes blijkbaar publiekelijk de les las over zijn levensstijl, trekt Jezus zich terug. Waarschijnlijk heeft hij behoefte aan bezinning. Waar gaat het hem om? Wat moet hij met zijn leven? Moet hij nu de rol van Johannes overnemen en Herodes de les gaan lezen? Moet hij die confrontatie zoeken? Maar zijn hele weg, zoals Matteüs die tekent, gaat op dit moment van zijn leven juist van de stad naar het platteland, naar de mensen die aan de rand leven, niet in het centrum van de macht. En de mensen trekken hem, uit de stad, zelfs achterna. Voor hen is hij op de goede weg, ze willen hem volgen. „Over land", zegt de vertaling, „te voet", zegt de Griekse tekst. Zouden er echt geen slimmerikken geweest zijn die een bootje wisten te bemachtigen? Vast wel. Maar daar gaat het Matteüs niet om. Het gaat hem om de omweg, de weg te voet langs de stoffige wegen, die mensen willen gaan om Jezus te volgen.
Je ziet het bijna voor je: Jezus wil zich terugtrekken, alleen, wil bidden, mediteren, nadenken, en voordat hij goed en wel aankomt arriveren de eerste mensen, en dan nog meer en nog véél meer. Daar gaan de rust en de stilte. Wie zou er niet geïrriteerd zijn? Maar er staat: hij voelde medelijden met hen en hij genas hun zieken. Hoeft hij dan niet meer alleen te zijn? Laat hij zich leven? Of misschien realiseert hij zich, als hij die menigte mensen ziet: „Dit is mijn weg; dit is de goede weg." Niet in het centrum van de macht, bij mensen die zelf alle plaats in beslag nemen, maar ver daarvandaan, dichtbij mensen die ziek zijn en geen plaats mogen hebben. Hun zoeken en hun lijden laat Jezus de weg zien die hij moet gaan.
De avond valt en nog is Jezus bezig. De leerlingen zien het probleem: „Stuur de mensen weg, laat ze naar de dorpen gaan om eten voor zichzelf te kopen." Dat is verstandig. De mensen zijn moe, ze hebben honger, er is hier niets. Maar Jezus zegt: „Ze hoeven niet weg, geven jullie hun maar te eten." „Ze hoeven niet weg." Ze hebben hem met veel pijn en moeite gevolgd, ze zijn de hele dag bij hem gebleven. Zal Jezus deze mensen wegsturen? Waar moeten ze heen? Ja, naar de dorpen. Ja, terug naar hun huizen. Maar eigenlijk hebben deze mensen geen plaats. Jezus weet dat. Jezus ziet dat. Hij kán ze niet terugsturen.
Maar daarmee is het probleem dat de leerlingen zien niet opgelost. Ze hebben maar vijf broden en twee vissen voor die hele mensenmenigte. „Geef maar aan mij", zegt Jezus. En hij spreekt de zegenbede uit en breekt het brood, en iedereen wordt verzadigd.
Wat gebeurt hier? Een wonder. De woorden van Jesaja worden waar: hier is brood voor niets. Luister aandachtig, en je zult ruimschoots te eten hebben. Maar wat betékent dat wonder? Het betekent dat mensen in Jezus geloven, want waar dat niet zo is, zoals in zijn geboorteplaats, doet Jezus geen wonderen. En laat dit wonder ons ook niet terugdenken aan Jezus? parabels over het Koninkrijk van God? Daar groeit een mosterdzaadje uit tot een boom waarin vogels zitten te zingen. Daar laat een beetje desem deeg van drie zakken meel rijzen. Dat zijn geen verhaaltjes. Hier zie je gebeuren hoe iets kleins groot wordt. Iedereen wordt verzadigd en er blijven 12 manden brokken over. Als mensen Jezus volgen, hóren ze niet van het Koninkrijk, ze beléven het Koninkrijk. En later kijken ze erop terug, zoals Matteüs, in vreugde en verwondering. En ze blijven ervan meedelen. En ze blijven ervan overhouden.
En wij? Wat kunnen wij met dit verhaal? Ook wij kunnen Jezus volgen. Dat kan hier en nu, als we oog hebben voor elkaar en in elkaar geloven. Dat kan gebeuren als we oog hebben voor de nood van de ander. Door te helpen, te troosten, iemand anders erbij te halen als het ons zelf boven het hoofd groeit. Als we actie voeren tegen honger en onrecht.
Dat kan als we niet eerst kijken of we wel genoeg in huis hebben, maar gewoon beginnen. Niet om wonderen te doen, maar om elkaar te helpen, er voor elkaar te zijn. Dan kunnen we later terugkijken in vreugde en verwondering.
Amen.
Karel Peijnenborg

Zomerviering 2008

6 jul 2008, 14:00

Lezing: Marcus 2,23-28
Welkom u allen, vanmorgen op deze (zomerse) zondagochtend bijeengekomen in de Boskapel, trouwe bezoekers en zomergasten, om gezamenlijk de gedachtenis te vieren van Hem die ons voorgegaan is op onze weg door het leven. Wie er oog voor heeft vindt langs ?s-Heren wegen kleurige planten en bloemen, die getuigen van de onverwoestbare groeikracht van de natuur. De Vlaamse priester-dichter Guido Gezelle drukte zijn bewondering en dankbaarheid voor al dat moois uit in een kleengedichtje dat hij schreef in 1858:
Mij spreekt de blomme een tale,

Mij is het kruid beleefd,

Mij groet het altemale

Wat God geschapen heeft.
[/url]
Iets van dat moois vindt u vanmorgen ook hier in de Boskapel: wilde bloemen, geplukt in de vrije natuur rondom Nijmegen, alle liturgische kleuren bijeen.
Het thema van onze agapè-viering is ons dagelijks brood, waarom wij vragen in het gebed des Heren, een vraag die zo alledaags is dat we er niet meer bij stilstaan. Brood is een natuurprodukt van de bovenste plank, samengesteld uit graan, water, gist en zout, niets anders. Jezus noemt in zijn verhalen deze vier oerprodukten van de schepping herhaaldelijk en geeft ze dan in zijn parabels en prediking een centrale plaats en betekenis. Brood: alle dagen op onze tafel, ook hier in de Boskapel bij onze vieringen. Brood voor onderweg, om te geven en te krijgen.
Dat het ons goed mag bekomen !
Overweging
De evangelist Marcus roept in de evangelielezing van zoëven zo?n vredig beeld op: Jezus loopt met zijn leerlingen tussen de korenvelden door, en zij plukken her en der rijpe korenaren om de graankorrels fijn te wrijven en op te eten, want ze hebben honger. Ze proeven van de vruchten der aarde, het smaakt hun. Het is sabbat, en ook de farizeeën zijn op pad en houden Jezus en zijn volgelingen scherp in de gaten. Wat ze de leerlingen zien doen is niet geoorloofd: ze overtreden het gebod van de sabbatsheiliging, dat zegt dat er op sabbat niet gewerkt mag worden. En aren plukken is oogsten, en oogsten is werken! De farizeeën, letterknechten als zij zijn, spreken Jezus er op aan: „Waarom doen uw leerlingen iets dat op sabbat niet ma ?"
Volgens goed-joodse, rabbijnse gewoonte antwoordt Jezus met een wedervraag: „Hebben jullie dan nooit gelezen wat David deed toen hij en de zijnen in nood verkeerden en honger hadden? Hij ging het huis van God binnen en at van de toonbroden waarvan alleen de priesters mogen eten, en hij deelde er van uit aan zijn metgezellen." De conclusie is duidelijk: De sabbat is er voor de mens en niet omgekeerd. In onze dagen deed bisschop Muskens van zich spreken toen hij verklaarde dat O.L. Heer het niet erg zou vinden als een arme die zijn of haar kinderen niet kan voeden een broodje wegneemt. Hij wilde er niets anders mee zeggen dan dat het recht op leven belangrijker is dan het recht op eigendom. Maar de goegemeente protesteerde heftig tegen deze uitspraak, want stelen mag toch niet ? !
Brood: een onderwerp dat in de Bijbel talloze malen wordt aangesneden; het is een produkt van Moeder Aarde dat herkenbaar en vertrouwd is. Graan, water, gist en zout: dat zijn de ingrediënten van een eerlijk stuk brood. Het graan wordt gezaaid in de aarde, en het is de Schepper die de wasdom geeft. Zonder water geen leven, het verdort en sterft af. Zonder gist geen groei; alle meel moet immers doordesemd worden en lucht krijgen. Zonder zout geen smaak, zout voorkomt bederf en prikkelt de tong.
Na de wonderbare broodvermenigvuldiging komen de Joden een dag later Jezus opnieuw opzoeken, en dan spreekt hij weer over brood, niet het produkt van de bakker, maar het ware brood uit de hemel, dat leven geeft aan de wereld. „Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald", zegt hij dan. „Wanneer iemand dit brood eet zal hij eeuwig leven. En het brood dat ik zal geven voor het leven van de wereld is mijn lichaam." Die woorden zijn voor de Joden moeilijk te vatten, en velen keren zich dan van hem af.
Brood overstijgt in deze beeldspraak de functie van voedsel dat wij elke dag nodig hebben. Het wordt tot een symbool van het leven dat wij met elkaar delen. Het is het brood dat gebakken is van het graan waarvan het zaad in goede aarde gevallen is. Van dat zaad zei Jezus in een van zijn gelijkenissen dat het vrucht draagt, overvloedig vrucht, hier dertigvoud, elders zestigvoud en weer ergens anders zelfs honderdvoud.
Als dát brood ons dagelijks voedsel kan zijn, als wij dát brood met elkaar delen, komt het met het leven in de wereld wel goed. Het is het brood van de saamhorigheid, van zorg en aandacht voor elkaar, van solidariteit en van verdraagzaamheid. Het is, zoals wij op Witte Donderdag zingen, het brood dat naar mensen smaakt.
Ook als er reden is tot vreugde en dankbaarheid kunnen wij het dagelijks brood delen. Jezus geeft ook daar voorbeelden van in zijn verhalen aan de Joden, zoals dat van de vrouw die 10 drachmen had en er één kwijtraakte. Ze stak de lamp aan, veegde haar hele huis schoon en zocht net zo lang tot zij het muntstuk gevonden had. Toen riep zij haar buren en vriendinnen bij elkaar en nodigde ze uit om in haar vreugde te delen. Meteen daarna vinden we bij Lukas het verhaal van de verloren zoon. De vader richt een groot feest aan als zijn jongste zoon na jaren van zijn dwaalwegen weer terugkeert. De oudste zoon, die altijd een oppassend leven geleid heeft voelt zich verongelijkt als hij, terugkerend van zijn dagelijks werk op het land, in de verte het feestgedruis hoort en verneemt waarom er gefeest wordt. Desgevraagd verklaart zijn vader: „We konden toch niet anders dan feestvieren en blij zijn, want je broer was dood en is weer tot leven gekomen." Reden genoeg tot het delen van het brood van de dankbaarheid en de vreugde!
Brood op tafel: zo vaak komt de vraag op of wij al dan niet een plaats aan tafel willen inruimen voor medemensen die hongerig zijn. Je kunt die vraag letterlijk opvatten tegen de achtergrond van het harde feit dat meer dan de helft van de wereldbevolking in behoeftige omstandigheden verkeert of ronduit honger lijdt. Dat probleem gaat onze aanpak dicht bij huis te boven, alle acceptgirokaarten en collectebussen ten spijt.
Er zijn in eigen omgeving ook mensen die hongeren naar het dagelijks brood van zorg, aandacht en medeleven. Eenzame mensen willen niet alleen iets over hun narigheid kwijt, maar ook als zij iets moois en iets goeds beleefd hebben. Ze willen hun vreugde en blijdschap delen met hun omgeving. Al laten ze het niet merken, ze hongeren soms naar aandacht en belangstelling. Wie van het brood van die belangstelling uitdeelt, ook al is het maar mondjesmaat, weet en ervaart dat zulk brood wederkerig goed bekomt. En bij alles wat je op tafel zou kunnen zetten moet je maar bedenken dat kruimeltjes óók brood zijn.
Koen van Rossum

Hoe verder met Kerk en Ambt, provincie Gelderland

1 mrt 2008, 14:00

Op het symposium over het boekje Kerk en ambt van de Nederlandse Dominicanen is onder andere afgesproken om de discussie lokaal voort te zetten. Voor Gelderland vindt dit vervolg plaats op 1 maart, van 14.00 tot 16.00 uur, in de Boskapel in Nijmegen.[/url]
Ter voorbereiding op het samenkomen op 1 maart a.s. zijn Rinus Bal, Harrie Salemans, Joost Koopmans, Ad Willems en Ans Metz bijeen geweest. Wat zij voor ogen hebben voor die middag hebben zij als volgt geprobeerd samen te vatten:
We willen een verbinding vormen/zijn voor mensen die vastlopen in de restauratieve kerk en die toch trouw willen blijven aan een inspirerende kerk in de geest van Kerk en Ambt. We willen een plek bieden waar mensen vrij kunnen ademen. Een plek waar we kunnen blijven vieren. We willen daarbij geen schisma, waarvoor sommigen menen te moeten waarschuwen.
Konkreet zouden we aan de orde willen stellen de volgende vraag:
Wat zou U in uw situatie concreet willen om voortgang te maken in de richting die geschetst wordt in de brochure van de dominicanen „Kerk en Ambt"? Waar / op welke plek zou dit volgens U het beste gerealiseerd kunnen worden?
Mogelijk kunt U zich op uw eigen plaats ook al vast voorbereiden op onze bijeenkomst waarvoor zich inmiddels 45 mensen hebben aangemeld.
Wij zien uit naar een middag waarin we elkaar kunnen inspireren en bemoedigen om op de ons zo dierbaar geworden weg voort te gaan.
De middag staat ook open voor mensen die in november niet aanwezig waren maar toch graag mee willen denken. Stel u dan in verbinding met Rinus Bal, telefoon 024-6777806, of via e-mail, zodat we weten hoeveel mensen we kunnen verwachten.

Op de Hoogte juli 2008

8 jul 2008, 19:30

De Op de Hoogte van juli 2008 is uit.
De pdf-versie: Op de Hoogte juli 2008

U hebt Adobe Reader nodig om dit bestand te kunnen lezen.

Kerk en ambt aan de basis ? leerhuisbijeenkomst

24 jun 2008, 20:30

De brochure Kerk en ambt van de dominicanen heeft ? zelfs internationaal ? veel stof doen opwaaien. Dat bleek o.a. tijdens een bijeenkomst daarover op 10 november 2007 in de Amsterdamse Dominicuskerk. Gelovigen overal vandaan vroegen zich daar bezorgd af: „Hoe nu verder?" Op 1 maart van dit jaar vond dit een vervolg in een druk bezette bijeenkomst van mensen voor de Gelderse regio. Deze had plaats in de Nijmeegse Boskapel.
In het kader van de hoofdvraag (?Waarheen met de lokale kerk?") was er een aantal aanwezigen, die behoefte had aan nadere informatie over de brochure Kerk en ambt, zoals deze vorig jaar verschenen is. Ad Willems o.p., één van de vier auteurs van het boekje, stelde zich beschikbaar om op deze vraag in te gaan.[/url]
Daartoe is er nu een leerhuisbijeenkomst georganiseerd op 24 juni 2008 op het bekende adres: BOSKAPEL, Graafseweg 276 in Nijmegen. De samenkomst begint om 19.30 uur
Gaarne aanmelden bij Ans Metz, Prof.v.d. Heijdenstraat 36, 6524 PX Nijmegen,

telefoon: 024-322-8285, of via e-mail[/url]
(ter bestrijding van de onkosten wordt ter plekke een kleine bijdrage gevraagd)
Ans Metz[/url]

Jeroesjalajiem sjel zahaav; het lied dat een stad veroverde

16 jun 2008, 18:07

Ik heb iets met liederen. Misschien dat ik daarom in de liturgiegroep officieel de portefeuille ‚liederen' heb, al is niet helemaal duidelijk wat dat in de praktijk inhoudt. Maar het staat buiten kijf dat wat de liturgie betreft liederen mij in het bijzonder raken, in positieve en soms ook in negatieve zin.
Een tijd terug viel me plotseling op dat de hebreeuwse tekst van Jeroesjalajiem sjel zahaav nogal af leek te wijken van wat we in de Nederlandse vertaling zingen: „Jeroesjalajiem stad van God, wees voor de mensen een veilig huis, Jeroesjalajiem, stad van vrede, breng ons weer thuis." Omdat dat maar bij mij om aandacht bleef zeuren en mijn (modern) Hebreeuws niet echt goed is, moest het maar via de omweg van een Engelse vertaling die als letterlijk gepresenteerd werd:[/url]
De berglucht is helder als wijn, / en de geur van pijnbomen / wordt verspreid door de avondbries, / vol van de klank van klokken

En terwijl bomen en stenen sluimeren, / slaapt, gevangen in haar droom / de stad die eenzaam staat / met in haar hart een muur
Refrein: Jeruzalem, gouden stad, koperen stad, stralende stad, laat mij het klankbord zijn voor al jouw liederen.
De spaarbekkens staan droog, / het marktplein is leeg / en niemand bezoekt de tempelberg / in de oude stad

In de grotten in de bergen / huilt de wind / en niemand daalt via Jericho / de weg af naar de Dode Zee
(refr)
Als ik nu kom om jou te bezingen / en je met kransen te bekronen, / ben ik de minste van de minste van je kinderen / en de laatste dichter

Want jouw naam verschroeit de lippen / als de kus van een Seraf. / Als ik jou vergeet, Jeruzalem, / geheel van goud ?
(refr)
Er is ook nog een later toegevoegd vierde couplet:
We zijn teruggekeerd naar de spaarbekkens / naar de markt en het marktplein / de sjofar klinkt op het tempelplein / in de Oude Stad

En in de grotten in de bergen / stralen duizend zonnen. / We dalen weer via Jericho af / naar de Dode Zee (refr)
Dat lijkt volstrekt niet op het Nederlandse kerklied, met zijn stad voor vriend en vreemde, huis om in te wonen, tafel om te eten en wereld zonder grenzen. Wat is dit eigenlijk voor een lied?
In 1967 werd Naomi Sjemer, een bekende Israëlische dichteres, gevraagd om een lied te schrijven dat buiten mededinging gezongen zou worden op een jaarlijks songfestival, tijdens het tellen van de stemmen. Omdat het festival plaatsvond op Onafhankelijkheidsdag, 15 mei, had Teddy Kollek, de burgemeester van Jeruzalem, gevraagd of de liederen over Jeruzalem konden gaan. Sjemer vroeg zich af of ze dat wel aankon, een lied over zo?n beladen onderwerp als Jeruzalem, maar ging toch akkoord. Het kostte haar de nodige moeite, maar uiteindelijk kwam ze met een eerste versie, de huidige coupletten een en drie. Een vriendin merkte op dat de Oude Stad, waar haar vader nog steeds van droomde, en die sinds de onafhankelijkheid in 1948 ontoegankelijk was geworden voor de Israëli?s, er wel erg bekaaid van af kwam. Daarop voegde Sjemer het tweede couplet toe. Toen dit lied op 15 mei gezongen werd, was het een doorslaand succes. Bij de prijsuitreiking riepen mensen dat ze Jeroesjalajiem sjel zahaav nog een keer wilden horen, wat gebeurde.
In die dagen was de militaire toestand explosief. Op diezelfde dag, 15 mei 1967, sloot Gamal Abdel Nasser, de toenmalige president van Egypte, de Straat van Tiran af voor schepen onder Israëlische vlag, die daardoor de Indische Oceaan niet meer konden bereiken. Ook besloot Nasser dat de VN-vredesmacht, die zich op Egyptisch grondgebied bevond als buffermacht na de Suez-crisis, niet langer kon blijven. Egypte trok troepen samen aan de Israëlisch-Egyptische grens. Nasser riep vervolgens op tot gezamenlijke Arabische actie tegen Israël en Israël bereidde zich voor op een directe confrontatie en mobiliseerde alle reservisten. Politieke onderhandelingen hadden geen concrete resultaten en op 5 juni opende Israël de vijandelijkheden. De Zesdaagse Oorlog was begonnen. Al deze tijd was Jeroesjalajiem sjel zahaav, de onofficiële winnaar van het festival, op de Israëlische radio te horen geweest en ongekend populair geworden, ook bij de soldaten.
In het begin ging de strijd alleen tussen Israël en Egypte, maar Nasser slaagde erin ook Jordanië en Syrië in de strijd te betrekken. Jordanië opende het vuur op het Israëlische deel van Jeruzalem. Israël beantwoordde het vuur, omsingelde de Jordaanse troepen en trok op 7 juni Oost-Jeruzalem binnen. Tanks en pantserwagens waren beplakt met de leus „Jeroesjalajiem sjel zahaav". Er was een live radioverslag van de inname van Oost-Jeruzalem en de Tempelberg, en toen het bericht kwam dat de stad helemaal in Israëlische handen was, inclusief de Tempelberg, was op de radio te horen hoe soldaten Jeroesjalajiem sjel zahaav zongen. Naomi Sjemer, die naar het Egyptische front was getrokken om de troepen daar moreel te ondersteunen, hoorde dit met tranen in de ogen op de radio. En dwars door de emotie van het moment realiseerde ze zich in een flits: ik moet mijn lied een nieuw einde geven, anders maakt iemand anders het. Die avond zong ze het lied, inclusief het vierde couplet, voor de soldaten aan het Egyptische front.
Wat een verhaal! Maar zijn we nu niet erg ver weggeraakt van „stad van vrede" en „wereld zonder grenzen"? Misschien lag dat toen, in 1967, toch anders. Veel Europeanen en Amerikanen indentificeerden zich in die tijd immers spontaan en enthousiast met Israël. Veel Boskapellers zullen dat herkennen; ook ik heb nog een stuk van dat spontane enthousiasme meegekregen. Een gedeelte van de informatie hierboven komt dan ook uit het kerstnummer 1967 van Reader?s Digest (Het Beste), uit een artikel getiteld The Song That Took a City (Het lied dat een stad veroverde). De verovering van Oost-Jeruzalem was ongetwijfeld voor veel mensen een vreugdevolle achtergrond van het nieuwe Israëlische lied, dat ook elders populair werd. Tot in de jaren tachtig zagen de meeste mensen in het Westen gewoon geen enkel probleem bij de staat Israël, en na de hereniging in 1967 was Jeruzalem voor hen nu echt een stad van vrede en Israël een teken van hoop voor de wereld.
Toch was er vrijwel vanaf het begin ook kritiek op het lied. Amos Oz, nu een bekende en gelauwerde schrijver, toen een 28-jarige soldaat (hij was aan het Egyptische front toen Naomi Sjemer daar ook was), protesteerde tegen de suggestie dat „het marktplein leeg was". Er woonden toch Arabieren in Oost-Jeruzalem? Hij besefte dat toen hij een paar dagen later door Oost-Jeruzalem liep en hij zich zijn angstdroom als kleine jongen in Jeruzalem herinnerde: dat mannen met pistoolmitrailleurs de straat inkwamen en iedereen doodschoten. Toen hij dan eindelijk door Oost-Jeruzalem liep en de angst en de haat van de mensen zag die daar leefden, besefte hij dat hij zelf nu een man met een pistoolmitrailleur was. Sjemer was het niet eens met de kritiek van Oz en bekritiseerde ook de timing: er klonk geen woord van kritiek toen het lied ineens populair werd (dus voor de oorlog). Maar kan die ‚timing' niet ook verklaard worden doordat Oz pas in Oost-Jeruzalem, en misschien pas later, terugdenkend aan die ervaring, de ogen opengingen?
Jaren later lichtte Sjemer haar reactie toe. „Amos Oz mag zeggen dat er mensen waren, maar voor mij is een wereld zonder Joden een lege wereld, en het Land Israël zonder Joden is voor mij leeg en verlaten." Dit antwoord van Sjemer vond van politiek rechts tot politiek links weerklank in Israël en veel Israëliërs denken er ongetwijfeld nog zo over. Het laat zien welke diepe emoties Israël kan oproepen. Maar Sjemer zegt eigenlijk niet veel anders dan wat ze in haar lied zegt. Zowel in het lied als in haar verklaring zijn alleen de Joden nodig voor het leven in het land, voor het uit de slaap wekken van de stad. Het was zo gemakkelijk geweest om nu te zeggen ‚niet compleet' in plaats van ‚leeg', om de Palestijnen althans enige plaats te bieden. Maar blijkbaar doet dat geen recht aan Sjemers diepere gevoelens, die ook uitdrukking vonden in haar lied.
Wat zijn die gevoelens van Sjemer, en van vele Israëliërs met haar? Het zijn gevoelens die gevoed zijn door een speciale vorm van Zionisme. Dat lanceerde al in de negentiende eeuw de slogan „Een land zonder volk voor een volk zonder land". Zionisten die ontdekten dat Palestina in tegenstelling tot deze slogan al bewoond was, reageerden soms geschokt. Het is niet waar dat Palestina leeg was, dat niemand het land wilde, dat de mensen die er woonden geen natie vormden of geen nationale cultuur hadden, of dat ze juist naar het land getrokken waren door de werkgelegenheid die de Zionisten schiepen. Toch zijn dergelijke gedachten nog steeds bijzonder hardnekkig. Zo hardnekkig dat Sjemer er in een later interview zelf haar poëtische beeld van een gouden stad in het gouden namiddaglicht aan opoffert: Jeruzalem was toen het lied geschreven werd nog niet van goud, zei ze bij die gelegenheid; het was een morsige stad. „Stad van goud" was een Joods visioen, zei ze bij die gelegenheid.
Ik heb veel moeite met deze gevoelens en gedachten. Ze maken de Palestijnen en met name de Palestijnse slachtoffers van Zionistisch en Israëlisch handelen onzichtbaar. En juist deze gedachten vormen de basis voor het lied Jeroesjalajiem sjel zahaav. Niet alleen het beeld van het lege marktplein, maar ook dat van de stad die slaapt (in het gouden namiddaglicht, dromend van de kus van haar Joodse prins) leeft van deze gedachte. Door het sussende karakter van deze gedachte die het lied doordringt, kon Jeroesjalajiem sjel zahaav snel populair worden, en werd het het volkslied van de Zesdaagse Oorlog.
Het spreekt voor zich dat een oplossing voor het Israëlisch-Palestijnse conflict niet eenvoudig zal zijn en dat plompverloren partij kiezen voor Israëli?s of Palestijnen geen oplossing kan bieden. Maar dat betekent ook dat althans voor mij de Hebreeuwse versie van het lied onverteerbaar is geworden. Het Jeruzalem dat daarin bezongen wordt, dat zijn Palestijnse inwoners niet wil zien, is voor mijn gevoel wel heel ver verwijderd van de stad van vrede die we in het Nederlands bezingen. Te ver.
Enkele links:

Website geheel gewijd aan Jerusalem of Gold

Scan van The Song That Took a City

Amos Oz kijkt terug op de inname van Jeruzalem: An Alien City
Karel Peijnenborg

Op de Hoogte juni 2008

16 jun 2008, 17:33

De Op de Hoogte van juni 2008 is uit.
De pdf-versie: Op de Hoogte juni 2008

U hebt Adobe Reader nodig om dit bestand te kunnen lezen.

Jaarverslag 2007

8 jun 2008, 15:55

Het jaarverslag 2007 van de Boskapel is gepubliceerd op de website. Zie onder Nader bezien; Bestuur in het menu rechts de pagina Stukken.

Geloof en hoop tijdens moeilijke momenten

3 jun 2008, 21:00

Dinsdag 3 juni, 20.00?22.00 uur; door drs. Ans Bertens, geestelijk verzorger / ziekenhuispastor;[/url]
Ziekte en gezondheid, lijden, sterven en dood roepen bij mensen veel vragen op. Het zijn vragen waar elk mens zijn of haar weg in moet vinden, zeker als de gezondheid het laat afweten.
Deze avond worden ‚verhalen gehoord' ? hoe mensen in pijn en ziekte vertellen en zoeken, betekenis geven of vinden vanuit hun eigen leven, maar ook vanuit een groter Verhaal dat gehoord wordt.
De inleider vertelt vanuit haar werk in het ziekenhuis: het horen naar verhalen, naar de stilte daarin, het afgebroken of hervonden verhaal, de stem van de Eeuwige die doorklinkt ? soms.
Toegang ? 5,?

De weg die Dag Hammarskjöld koos

27 mei 2008, 21:00

Dinsdag 27 mei, 20.00?22.00 uur; door dr. Jos Huls ocarm, docent spiritualiteit bij het Titus Brandsma Instituut.[/url]
Deze legendarische figuur, secretaris-generaal van de Verenigde Naties die postuum de Nobelprijs voor de vrede werd toegekend, was een zeer begaafd en scherpzinnig man. Hij durfde behalve diplomaat en groot organisator ook mysticus te zijn; iemand met een ongekend intens innerlijk leven die zijn kracht en wijsheid putte uit de bron van het leven zelf.

Na zijn tragische dood werd het boek ‚Merkstenen' in de vorm van een manuscript gevonden. Hierin schetst hij zijn geestelijke weg, zijn reis naar binnen. Geen verhaal van intense religieuze ervaringen en van mystieke extases, maar wel van het geleidelijke en onopvallende proces waarin een hooghartig, pretentieus maar eenzaam man de weg leert gaan van totale zelfovergave en van belangeloze liefde. Deze weg was niet vanzelfsprekend en naar zijn zeggen niet het resultaat van zijn eigen inspanningen. Want hij ging een weg die hij menselijk gesproken op grond van zijn eigen kracht niet kon gaan. Hij ging op weg, maar al gaande baande zich ook de weg in hem.
Hammarskjöld heeft, ondanks zijn positie, zijn hele leven gevochten voor de zin in zijn leven. In jaren van pijnlijke worsteling heeft hij moeten leren zichzelf los te laten en vrij te worden van zichzelf. Steeds opnieuw moest hij afscheid nemen van zichzelf en werd hij ten diepste vrij door de elk moment herhaalde zelfovergave.
Uiteindelijk heeft de weg hem gekozen op een ongrijpbaar en onnoembaar ogenblik!
Toegang ? 5,?